ivo janssen
 
Home


Actueel
Speellijst
Biografie
VOID
CD's
Bach Cyclus
Liner notes



Janssenbeton
muziek vooronder


Webshop


Pers
Video
Anna Enquist
Links
Contact

 
 
 
J.S. BACH – PARTITA'S >>

In 1726 liet Johann Sebastian Bach zijn eerste Partita voor klavier geheel voor eigen rekening publiceren. Het was de eerste maal in zijn loopbaan dat hij een dergelijke stap ondernam. Waarschijnlijk achtte hij het daarom ook van extra waarde een juiste opdracht aan het werk te verbinden. Aangezien Bach zich, ondanks zijn baan in Leipzig als cantor van de Thomaskerk, nog steeds verbonden voelde aan het hof van Cöthen, waar hij van 1717 tot 1723 in dienst was, lag het bijna voor de hand dat de geboorte op 12 september 1726 van een zoon van prins Leopold von Anhalt-Cöthen hiervoor een goede keuze zou zijn.

En zo droeg Bach 'deze bescheiden muzikale eersteling, met de meest nederige toewijding' op aan de boreling Emanuel Ludwig, die overigens al weer op 17 augustus 1728 zou overlijden, en voegde er een gedicht van twintig regels aan toe. In de daaropvolgende jaren verschenen de overige partita's na elkaar. En in 1731 bracht Bach ze alle zes tezamen uit, voorzien van de volgende titelpagina:

Clavir Übung
bestehend in
Praeludien, Allemanden, Couranten, Sarabanden, Giguen,
Menuetten, und andern Galanterien;
Denen Liebhabern zur Gemüths Ergoetzung verfertiget
Von
Johann Sebastian Bach
Hochfürstl. Sächsisch-Weissenfelsischen würcklichen Capellmeistern
und
Directore Chori e Musici Lipsiensis
OPUS 1
In Verlegung des Autoris
1731

We kunnen ons natuurlijk afvragen of Bachs opmerking bij het verschijnen van de Eerste partita als zou het zijn eersteling betreffen alsmede het opschrift bij de uiteindelijke gecompileerde druk in 1731 dat het hier zijn Opus 1 betreft, tekenen van valse bescheidenheid zijn of doelgerichte handelszin. Immers een oud werk zou niemand kopen, maar wanneer een toen al zo bekend componist als Bach met zijn staat van dienst en reputatie een eerste opus liet verschijnen, dan moest het wel iets bijzonders zijn.

De titel Clavir Übung moet niet al te letterlijk worden opgevat. Het gaat niet om études, zoals in de 19e eeuw populair zouden worden, hooguit misschien om 'essercizi' zoals Scarlatti in deze zelfde jaren voor klavecimbel componeerde. Oefeningen in stijl en vormbeheersing, maar ook in frasering en speeltechniek. Bach had in deze jaren vele leerlingen en zijn lespraktijk bestond uit een combinatie van compositie-, interpretatie- en spelvaardigheidslessen. Niettemin is de bundel vooraleerst vervaardigd voor liefhebbers van die muziek waarmee men zijn hart kan ophalen, zoals de titel vermeld, dus voor muziekliefhebbers die de fijngevoeligheden van de 'galanterien' in de partita's naar waarde konden schatten en plezier zouden beleven bij het spelen van de vele dansen die Bach hierin bijeen heeft gebracht.

Wat de keuze van de titel Clavir Übung betreft, sloot Bach nauw aan bij zijn directe voorganger in Leipzig, Johann Kuhnau, die in 1689 en 1695 zijn eigen collecties met overigens telkens zeven (!) Partita's als Klavierübung liet verschijnen. Mogelijkerwijs had Bach aanvankelijk ook zeven partita's willen schrijven, evenals Kuhnau. Zou er in dat geval misschien een partita verloren zijn gegaan? Een annonce in de Leipziger Post-Zeitungen van 1 mei 1730 meldt bij het verschijnen van de Vijfde partita dat er nog twee zouden volgen! Maar van een zevende is verder nimmer meer vernomen...

Tegenover de strakke en eenduidige vormschema's in de Engelse suites en de al iets grotere vrijheid en onderlinge losheid in de Franse suites, zijn de Partita's, soms ook wel als Duitse suites aangeduid, aanzienlijk grootser en compositorisch ingenieuzer van opbouw. In alle opzichten heeft Bach met deze werken de top van zijn meesterschap bereikt, in de opzet van elk van de Partita's afzonderlijk, in de motivische verbondenheid binnen elke partita, in de rijke versieringen in menig afzonderlijk deel, in de melodische en contrapuntische rijkdom door de gehele cyclus heen, in de ingenieuze klaviertechniek.

Wederom, evenals in de Franse en Engelse suites, zijn de Partita's bovenal Franse suites, dat wil zeggen suites waarin naar de Franse manier, na een al dan niet omvangrijke inleiding waarin niet zelden veel aandacht voor fugatische technieken gebruikt worden, een reeks elegante, soms ook rijk versierde dansen volgen. De vaste volgorde van die dansen is Allemande, Courante, Sarabande en Gigue. Bach houdt zich hier nauwgezet aan met uitzondering van de Tweede partita, waarin hij in plaats van een Gigue een Italiaanse Capriccio voorschrijft. Elk van de zes Partita's kent een inleiding met aan ander karakter: Praeludium (I), Sinfonia (II), Fantasia (III), Ouverture (IV), Praeambulum (V) en Toccata (VI).

De Eerste partita in Bes valt op door zijn grote intimiteit, het korte, lyrische Praeludium, de vlotte Allemande met z'n milde contrapuntische techniek (net genoeg om de aandacht te trekken en net niet zo veel dat de aandacht van het vloeiende verloop van de stemmen wordt afgeleid), de speelse, Italiaanse Corrente met z'n mengsel van 9/8- en 3/4-ritmiek, waarmee een brug wordt geslagen naar de afsluitend Gigue, met daartussen een weelderig versierde Sarabande en twee enigszins gestyliseerde Menuetti.

Die Gigue is overigens een wondertje van elegantie, expressiviteit en pianistische (klavier) techniek. Zoals de meeste dansen bestaat ze uit twee segmenten die elk herhaald worden. Het eerste segment loopt van de grondtoon Bes naar de dominant F. In het tweede segment gaat Bach eerst uitgebreid moduleren, waarmee een verrassende harmonische spanning wordt opgeroepen, om dan via dezelfde dominant F de weg terug te bewandelen naar de toonsoort van vertrek Bes. Juist dat modulerende deel van deze Gigue verraadt hoezeer Scarlatti (in zijn 'Essercizi'!) en Bach vrijwel gelijktijdig de weg gebaand hebben voor de latere modulerende techniek van Haydn en Mozart.

De Sinfonia van de Tweede partita in c begint met een Grave adagio in de gepuncteerde Franse stijl, gevolgd door een mooi omspeeld Italiaans Andante over, wat in de jazz een lopende bas zou heten, en een tweestemmige fuga. De vlotte Allemande sluit aan op het Andante van de Sinfonia. Na een Franse Courante en een bijna Italiaans eenvoudige Sarabande volgen een Frans Rondeaux en een Italiaans Capriccio. Met name het Capriccio is wederom een juweeltje van harmonische en contrapuntische techniek, zonder ook maar één moment zwaarwichtig te worden.

De Italiaanse Fantasia van de Derde partita in a heeft veel weg van een lange tweestemmige 'invention'. De Franse Allemande met zijn rijke versieringen en wat springerige Italiaanse Corrente worden gevolgd door een compacte bijna een aria gelijkende Sarabande, een korte Burlesca en Scherzo, beide in Italiaanse stijl, en tenslotte een fugatische Gigue.

De Ouverture van de Vierde partita in D is weer geheel Frans met een Italiaans getinte fuga van grote allure. Ook de Franse Allemande is hier veel omvangrijker dan in de vorige partitia's. Op de Courante volgt eerst een mooie Aria, vervolgens een rijkversierde Sarabande, een beknopt Menuet en tenslotte een uitermate briljante Gigue in 9/16-maat.

De Vijfde partita in G wordt geopend met een Praeambulum in toccatastijl. Opnieuw volgt een opeenvolging van Franse Allemande, Italiaanse Corrente en Franse Sarabande. Bach schreef voor deze partita geen Menuet, maar een Tempo di Menuetta (sic), kortom iets in het tempo van een menuet zonder het dansante karakter ervan. Bovendien verbreekt hij het 3/4-metrum door de suggestie van een tweedelige maatsoort. Een korte Passepied en een omvangrijke, wederom briljante Gigue ronden deze suite af.

De Zesde partita in e, tenslotte, opent met een omvangrijke, zeer afwisselende Toccata, waarin Franse (gepuncteerde puls), Italiaanse (aria-melodiek en briljante klaviertechniek) en Duitse (fugatische) karakteristieken door elkaar lopen. Daaropvolgende drie uitermate weelderig versierde dansen, een Allemande, een Courante en, na een meer ingetogen Air, een Sarabande. Het is duidelijk dat Bach hier het beste heeft gegeven dat hij te bieden had. Ook het ingenieuze Tempo di gavotta en vooral de magnifieke Gigue doen ons beseffen dat Bach met deze partita wellicht toch een unieke afronding bedoeld heeft voor de gehele cyclus van zes partita's.

Alle nederigheid in de opdracht aan de piepjonge Emanuel Ludwig van Anhalt-Cöthen ten spijt, Johann Sebastian Bach was een van de grootste klaviermeesters van zijn tijd en als componist een syntheticus die als geen ander de Franse, de Italiaanse en de Duitse stijl in de 18e eeuw bijeen heeft gebracht in een uitzonderlijk bevlogen en hoogstaand oeuvre.

Leo Samama, 2001



 
BACH-BOX
 
VOID9801
VOID9802
VOID9803
VOID9804
VOID9805
VOID9806
VOID9807
VOID9808
VOID9809
VOID9810
VOID9811
VOID9812
VOID9813
 
PDF download:
NL
GB
FR
DE