ivo janssen
 
Home


Actueel
Speellijst
Biografie
VOID
CD's
Bach Cyclus
Liner notes



Janssenbeton
muziek vooronder


Webshop


Pers
Video
Anna Enquist
Links
Contact

 
 
 
J.S. BACH – TOCCATA'S >>

De jaren die Johann Sebastian Bach in Weimar heeft doorgebracht, van 1708 tot 1717 zijn voor zijn vorming als componist van groot belang geweest. Weimar mag in deze jaren weliswaar nog niet zo'n bijzonder grote stad zijn geweest (met 5.000 inwoners bepaald kleiner dan Bachs geboortestad Eisenach of dan Mühlhausen, waar hij voorafgaande aan zijn aanstelling in Weimar gewerkt had), maar het culturele klimaat dat door hertog Wilhelm-Ernst van Saxen-Weimar werd uitgedragen, gaf de jonge Bach volop de gelegenheid zich als componist, organist, klavecinist, violist en leermeester te ontplooien.

Wilhelm-Ernst was een zeer godvruchtig man, die een overdaad aan losbandige feestelijkheden in zijn stad, zeker op belangrijke religieuze dagen, stevig heeft onderdrukt. Maar hij was ook een oprecht kunstliefhebber, die de hofkapel weer in ere herstelde en op z'n tijd evenzeer van een goede opera kon genieten. Bovendien stichtte hij een lyceum in zijn stad en een weeshuis. Tijdens zijn regering (1683-1728) en die van opvolgers als Ernst-August (1728-1748) en vooral Karl-August (1775-1828) werd Weimar een van de belangrijke culturele centra van het Duitse rijk.

Bach was al eerder, als tiener in 1703, kort in Weimar in dienst geweest. De situatie nu, vijf jaar later was echter een geheel andere. Hij was inmiddels gegroeid van gezel tot meester en werd direct aangesteld als 'Cammer und Hoforganist' met een aanvangssalaris van 85 gulden, dat met verscheidene extra verdiensten al spoedig steeg naar zo'n 160 gulden in het jaar van zijn aanstelling tot bijna het dubbele in 1716. In 1714 was hij tevens Konzertmeister van de hofkapel geworden. In de loop der jaren kwamen ook steeds meer leerlingen bij hem aankloppen. Zo verdiende Bach uiteindelijk aanzienlijk meer dan welke van zijn collega's in Weimar ook. Bovendien onderstrepen deze inkomsten de goede naam en faam die Bach al spoedig in Weimar had verworven.

Het was ook wel zaak goed te verdienen, want Bach en zijn jonge vrouw Maria Barbara zagen hun gezin tussen 1708 en 1715 met zes kinderen groeien, waarvan alleen de tweeling uit 1713 vrijwel onmiddellijk gestorven is. Zowel Wilhelm Friedemann als Carl Philipp Emanuel zagen in Weimar het daglicht. Maar ook een groeiend aantal composities is direct aan Weimar verbonden. We kunnen het aantal cantates uit deze jaren moeilijk vaststellen. Het moeten er vele zijn geweest, waarvan slechts van een klein aantal de datering is na te trekken. Anders is het gesteld met de orgelwerken. Het Orgelbüchlein, een groot aantal Koraalpreludes en bijna alle Preludes en fuga's vormen slechts een deel van Bachs ongelofelijke productie voor het orgel uit deze jaren. Daarbij komen nog een groot aantal concerten voor klavier naar Vivaldi, wellicht een aanzienlijk deel van de Brandenburgse concerten en tenslotte de zeven grote Toccata's voor klavier.

In al deze werken is de invloed van de Italiaanse stijl van het grootste belang geweest voor de ontwikkeling van Bachs zo individuele en virtuoze stijl. Juist in deze jaren in Weimar ontstond dat voor Bach zo kenmerkende mengsel van noordelijke strengheid en zuidelijke virtuositeit, van noordelijke doorwrochtheid en zuidelijke helderheid. De Toccata's voor klavier zijn daarvan prachtige voorbeelden. De toccata is van oorsprong een geïmproviseerd speelstuk als versierde instrumentale intonatie voor een meerstemmige vocale of instrumentale compositie. In het begin van de zeventiende eeuw schreef Praetorius daarover: "Een Toccata is een voorspel of Preludium dat een organist op een orgel of klavecimbel speelt voorafgaande aan een motet of fuga, en dat hij met slechts enkele grepen en versieringen improviseert."

Van meet bestond er dus een verbintenis tussen briljantere, virtuoze speelmomenten en strengere fugatische delen. In de loop van de zeventiende eeuw werden deze tegengestelde elementen verder uitgediept, hetzij naar een grotere grilligheid in de eigenlijke toccatadelen gelardeerd met een bonte stoet van fugatische invallen, zoals bij Frescobaldi, Froberger en Muffat, hetzij naar een grotere eenheid tussen toccata's en fuga's zoals bij Buxtehude, Reincken en tenslotte Bach. Bij de noordelijker componisten ontstond ook de hang naar een vereenvoudigde opzet van hooguit vier delen: toccata-fuga-toccata-fuga en tenslotte slechts twee polaire en tegelijk complementaire delen: een toccata en een fuga.

De zeven Toccata's van Bach (BWV 910-916), geschreven in de jaren 1707-1712, brengen de verschillende invloeden duidelijk aan het licht. De Italiaanse ritornelstijl (met zijn tweespraak tussen solo en tutti), de concertante virtuositeit, de hier en daar nog bonte afwisseling van invallen en het pronken met heftige modulaties, de soms bijzondere effecten, maar ook de verbazend knappe meerstemmigheid in menige fuga en de hang naar grotere vormen en duidelijker thematische verbanden; dat alles is een teken van Bachs niet aflatende inventiviteit, zijn onophoudelijke zoeken naar nieuwe oplossingen, naar nieuwe klanken, en vooral zijn onovertrefbare beheersing van alle facetten van het compositorische vak.

Leo Samama, 1998



 
BACH-BOX
 
VOID9801
VOID9802
VOID9803
VOID9804
VOID9805
VOID9806
VOID9807
VOID9808
VOID9809
VOID9810
VOID9811
VOID9812
VOID9813
 
PDF download:
NL
GB
FR
DE